Behandeling diep veneuze trombose

Hoe wordt diep veneuze trombose behandeld?

De behandeling van een trombosebeen wordt meestal thuis gedaan en bestaat uit twee delen n.l.:

Antistollingsmedicatie (zgn. “bloedverdunners”):  antistollende spuitjes en antistollende tabletten (acenocoumarol, fenprocoumon) en na een paar dagen als het bloed dun genoeg is alleen antistollende tabletten.  De spuitjes kunnen door u zelf, een familielid of kennis,  of door de thuiszorg worden gezet. Uw bloed dient regelmatig gecontroleerd te worden door de trombosedienst. De trombosedienst bepaalt de INR-waarde van uw bloed. INR staat voor International Normalized Ratio en geeft de snelheid aan waarmee uw bloed stolt. Als de INR tweemaal opeenvolgend boven de 2.5 is geweest, dan mag worden gestopt met de spuitjes en kan worden volstaan met antistollende tabletten gedurende 3 tot 6 maanden.

Met de antistollende middelen wordt de uitbreiding van het stolsel in de beenader en het optreden van een longembolie (ongewenste stolselvorming in de aders van de longen) voorkomen.

In de beginfase van de trombose moet u letten op:

  • uitbreiding beenklachten tijdens de behandeling
  • ontstaan van nieuwe klachten die passen bij longembolie; kortademigheid, pijn bij zuchten of hoesten
  • bloedingscomplicaties: rode urine of neusbloedingen
  • overgevoeligheidsreacties: jeuk of huiduitslag

 
Zwachtelen van het been en later een steunkous (voor 2 jaar). Ter voorkoming van het zgn. Post Trombotisch Syndroom (PST) wordt het been in eerste instantie gezwachteld door de thuiszorg. Het kan voorkomen dat de verpleegkundige enige dagen op zich laat wachten, vooral in het weekend. In de periode dat er nog geen zwachtels zijn aangebracht dient u slechts beperkt mobiel te zijn. Dat wil zeggen dat toiletbezoek en douchen zijn toegestaan, maar verder wordt geadviseerd het been zoveel mogelijk hoog te houden. Als de zwachtels zijn aangebracht kan de mobiliteit worden uitgebreid. Het is echter niet de bedoeling om zware arbeid te verrichten of sportief actief te zijn.

Onderzoek naar de oorzaak van de trombose
Bij uw bezoek aan de eerste hulp krijgt u een afspraak mee om na 2-3 weken bij het Hart+Vaat Centrum op controle te komen bij een arts van de interne geneeskunde. Er wordt dan gekeken naar het beloop van de trombose. Bij dit bezoek wordt vastgesteld in hoeverre het bij u nodig is om aanvullend onderzoek in te zetten naar de oorzaken van de doorgemaakte trombose. Tevens wordt aan de hand van uw risicoprofiel bepaald hoe lang u moet worden behandeld met de antistollende tabletten.

Hoe lang duurt de behandeling met antistollende middelen?
Uw behandelend arts bepaalt op basis van de ontstaanswijze van de trombose, uw voorgeschiedenis en bevindingen bij lichamelijk en laboratorium onderzoek hoe lang de behandelduur zal zijn. De behandeling duurt minimaal 3 maanden, maar kan ook 6 maanden of langer duren. De optimale behandelduur is per patiënt verschillend en afhankelijk van vele factoren. Er wordt bij vervolg bezoeken op de polikliniek gekeken naar de aanwezigheid van resttrombose in het been en ook zal in het bloed de activiteit van een aantal stollingseiwitten worden vervolgd. Het gemiddelde risico voor het krijgen van een nieuwe trombose na het staken van de antistollingstherapie ligt tussen de 3 tot 12% per jaar. Bij gebruik van antistollende middelen is de kans op bloedingen gemiddeld 3% per jaar. Met de huidig beschikbare onderzoeken en laboratorium bepalingen is het niet altijd duidelijk wat het risico is voor een individuele patiënt op het opnieuw krijgen van een trombose of het krijgen van een bloeding.

Wat kunnen de gevolgen zijn van een trombosebeen?
In de acute fase kunnen stukjes van het stolsel losschieten en via de bloedsomloop in de longen terechtkomen, men spreekt dan van een longembolie. Dit kan klachten geven van kortademigheid, pijn bij zuchten en hoesten. Indien deze klachten optreden moet u zo snel mogelijk contact opnemen met uw arts.Tussen de 20-50% van de patiënten met een trombosebeen krijgt binnen 2 jaar last van klachten van het been bestaand uit een zwaar en vermoeid gevoel, vochtophoping, pijn en/of kramp. Daarbij kunnen ook verkleuringen van de huid van het been of spataderen ontstaan. Deze verschijnselen worden samen ook wel Post Trombotisch Syndroom (PTS) genoemd. In 3-5% kunnen deze verschijnselen zo ernstig zijn dat er open, niet genezende wonden aan het been ontstaan.

Voor studies rondom trombose, zie http://hart-vaatcentrum.mumc.betawerk.eu/trombose-expertise-centrum-tec

Dutch
Aandoening: